Eerste reacties
“Zodra ik buiten stond dook de hitte op me neer. Vreemd, de kleuren leken feller dan een uur geleden, toen ik net als nu tussen rijen auto’s doorliep, nog onnozel, naïef, nog op weg naar een gunstige uitslag. Dat groen van die coniferen, het blauw van de lucht, de paarsrode joggingbroek van een extreem mager jongetje dat met een rollator over de stoep schuifelde… Zelfs de rotstuin waarmee het ziekenhuis zich waarschijnlijk een schoffelploeg wilde besparen zag er harder uit, meedogenlozer.
Schuin voor me doemde onze Volvo op. Luc zat te wachten, met zijn ogen dicht. Sliep hij?
Ik bleef staan, misschien op een manier zoals een aanstaande dode dat doet.”
Sam en Luc zijn al veertig jaar samen. Hun relatie is stabiel en overzichtelijk, totdat Sam te horen krijgt dat hij niet lang meer te leven heeft. Hij houdt het verborgen voor Luc, voorlopig tenminste. En dan, als hij het eindelijk wil vertellen, kantelt zijn leven opnieuw.
Jij blijft is een intieme, indringende roman over liefde en dood, over wat we elkaar soms niet zeggen – en wat dat betekent.
Reacties
|
‘JIJ BLIJFT is een ontwapenend tedere liefdesroman, tegelijk rauw en subtiel, ontroerend en voorzien van de heerlijke ironie – die beschaafde vorm van woede – die het werk van Van Emmerik kenmerkt. (…) Ademloos las ik deze roman in één ruk uit; literaire meester Gerard van Emmerik op zijn best.’
Judith Fanto
‘JIJ BLIJFT is een heeeele mooie roman, met een prachtig einde!’
Gerbrand Bakker
‘Fijnzinnig, humoristisch, ontroerend. Wat schrijft die Van Emmerik jaloersmakend goed!’ Hebban
‘JIJ BLIJFT is een met ironie geschreven ontroerende en intieme roman over liefde en dood, soms cru en tegelijkertijd subtiel.’
Literair Nederland
‘Van Emmerik is een buitengewoon invoelend schrijver. Hij heeft geen ronkende volzinnen nodig om de emoties kenbaar te maken. (…) Jij blijft heeft een dwingende kracht.’ Guus Bauer, Tzum
‘Mooi geschreven, intieme roman .’ Scholieren.com
‘Ontzettend knap hoe Gerard van Emmerik erin slaagt de dynamiek van het stel bloot te leggen
zonder het te benoemen (…) De naderende dood vatten in iets banaals als een pot pindakaas is
Van Emmerik ten voeten uit. Zijn taal is sober, zonder onnodige krullen of malle metaforen.
Bij deze schrijver weet je dat elk woord er om een reden staat.’
**** De Boekenkrant
Gerard van Emmerik (Apeldoorn, 1955) is auteur van een tiental boeken, zowel verhalenbundels als romans. Zijn werk draait vaak om (de) liefde. Bovendien is regelmatig sprake van autobiografische elementen, zo ook in Jij blijft dat verscheen in november 2025. Hierin wordt de lezer vanaf de eerste pagina’s medeplichtig gemaakt aan het verzwijgen van een ingrijpend verdict. Wij, lezers, begrijpen vanaf het begin dat het touwtje op meerdere manieren op knappen staat.
Sam en Luc wonen aan de Nassaukade in Amsterdam, al brengen zij het gros van hun tijd door in hun tweede huisje in een bosrijke omgeving op de Veluwe. Het stel is al veertig jaar samen en er zit sleet op de relatie.
“We durfden het niet hardop te zeggen, maar er waren momenten… We zagen het in elkaars blik. Wij, niet voor eeuwig op deze manier. We hadden toen nog niet door dat er iets nodig was, iets van buitenaf, een ramp of zo, om ons te redden en weer volop we te worden.” En dat gebeurt. Uit de flaptekst valt op te maken dat Sam verneemt dat hij niet lang meer te leven heeft. “En die zomer kantelde alles…” schrijft Van Emmerik als eerste zin in hoofdstuk 2.
Sam krijgt in het ziekenhuis te horen dat hij nog maximaal een jaar te leven heeft. Hoe geef je invulling aan zo’n jaar? Maar belangrijker: met wíe probeer je jouw laatste dagen nog zo plezierig mogelijk door te brengen? Als lezer verwacht je dat Sam huilend in Lucs armen valt, maar niets is minder waar. Via een makelaarssite gaat hij op zoek naar een appartementje voor iemand alleen. Hij verzwijgt de uitslag en probeert te doen of er niets aan de hand is. Met iedere week dat hij zich voorneemt het zijn partner te vertellen om dat vervolgens na te laten, wordt de drempel Luc deelgenoot te maken hoger. En neemt het medeplichtigheidsgevoel van de lezer toe. De twee geliefden draaien in steeds grotere cirkels om de mannen heen en wij, lezers, zijn gedoemd deze macabere dans te aanschouwen zonder in te kunnen grijpen. Niet eerder heb ik een boek gelezen waarbij ik soms hardop commentaar leverde en de protagonist toeschreeuwde.
Met Jij blijft heeft Van Emmerik een ontroerend verhaal geschreven, met een vleugje droge humor. Een absolute aanrader. Als lezer ontkom je er niet aan af en toe bij jezelf te rade te gaan: wat zou ik doen? Waarschijnlijk anders, maar vast niet hoe je er als gezond persoon over denkt. En Van Emmerik? Lees het zelf maar. Eus Wijnhoven, GiST/Hebban
Jij Blijft is een goed geschreven, mooi verhaal. Gaykrant
De pers over eerder werk
‘Gerard van Emmerik is de meester van de onderhuidse spanning, hij zorgt er als geen ander voor dat je een unheimisch gevoel bekruipt, waardoor je per se verder wilt lezen.’ Kunststof, NPO Radio1
‘Heel verrassend; buitengewoon beklemmend.’ Trouw
‘Omdat de verhalen zijn ingebed in een bedrieglijk huiselijke atmosfeer, werken ze dieper in op de verbeelding.’ NRC Handelsblad
‘De Kippenjongen hoort thuis in elke top 10; een boek dat je blijft achtervolgen.’ VPRO-radio
‘Spannend en subtiel; één woord roept een hele wereld op.’ Vrij Nederland
‘Een prachtige verwoording van eenzaamheid, verlangen en liefde. Een meesterlijke roman.’ Gazet van Antwerpen
‘Een verfijnde, bitterzoete vertelling. Geestig, donker, beklemmend.’ Het Parool
presentatie van ‘Jij blijft’

Hoe vertel je je geliefde dat je doodgaat, en al snel?
Jij blijft is een intieme, indringende en autobiografische roman over liefde en dood, over wat we elkaar soms niet zeggen – en wat dat betekent.
Hierbij nodig ik u namens Gerard van Emmerik graag uit voor de boekpresentatie van Jij blijft. De presentatie zal plaatsvinden op donderdagmiddag 23 oktober van 17 tot 19 uur bij boekhandel De Vries van Stockum, Jacobijnestraat 7 in Haarlem. Inloop vanaf
17.00 uur, aanvang boekpresentatie 17.15 uur.
Gerard zal worden geïnterviewd over zijn boek door Gerbrand Bakker.
Graag krijgen wij zsm bericht van uw komst op info@uitgeverijdekring.nl.
Met vriendelijke groet,
Marie-Anne van Wijnen uitgever
P.S. Het boek zal gesigneerd te koop zijn voor € 22,50.
Uitgeverij De Kring Beethovenstraat 114A 1077 JP Amsterdam 020-379 29 39 info@uitgeverijdekring.nl www.uitgeverijdekring.nl
Eindelijk
Het duurde een paar jaar langer dan voorzien, maar in oktober 2025 zal Jij Blijft verschijnen, een autobiografische roman
Eindelijk
Eindelijk
Het duurde langer dan voorzien, maar in oktober 2025 zal dan toch echt Jij Blijft verschijnen, een autobiografische roman
nieuw verhaal Hollands Maandblad
5, een kort verhaal
5
Gerard van Emmerik
‘Bert & Ernie mogen ook uit,’ zei de assistent, een breedgeschouderde jongen met een rokersadem. ‘Geinig, waar koopt u die?’ Hij nam mijn onderbroek in ontvangst. ‘Oké, neem plaats. Gaat het? Lukt het met die steunen?’
De oxazepam maakte loom en saboteerde mijn bewegingen. Voorzichtig liet ik me in de stoel zakken. De specialist kwam de behandelkamer binnen. Kennedy, een kleine, blonde veertiger met een pilotenbril, die er op de website van het ziekenhuis een stuk jonger uitzag. Onbezorgder. ‘Zo, zit u comfortabel?’ Hij klikte een groot wandscherm aan en legde nog eens uit wat er al in de brief had gestaan. ‘We hebben ze alvast rood omlijnd.’
Zijn aanwijsstok ging langs de oplichtende vlekjes in het midden en de grotere, gekartelde langs de rand. ‘Wat we nu gaan doen is de MRI-beelden combineren met een echo. Zo kan er gericht wat weefsel worden weggenomen. Da’s veiliger, we prikken niet zomaar wat raak. Kunt u het nog volgen allemaal?’
Ik knikte en zei dat ik de brochure goed had doorgenomen.
‘Ja, die legt het begrijpelijk uit, hè? We krijgen er vaker complimenten over.’
De assistent controleerde of mijn knieholtes correct in de beensteunen lagen. De stoel kantelde, zoals bij de tandarts. Een onzichtbaar apparaat sloeg aan, waarna een zoemend geluid de ruimte vulde. ‘Prima.’ Kennedy’s brilmontuur glansde in het blauwige ledlicht. ‘Stil blijven liggen graag, dat is belangrijk. Dan komt nu eerst de verdoving. Even niet schrikken.’
De brochure had het over een dun naaldje, maar wat ik voelde was een stomp mes, dat vlak onder mijn ballen toestak. Het mes nam er de tijd voor; traag, onderzoekend ging het alle kanten op.
‘Dat viel mee, nietwaar?’
Ik beweerde dat het erger kon. Uit mijn mond liep speeksel. De assistent ontging niets en veegde met een doekje mijn kin zacht, haast teder, droog.
‘De huid van het perineum wordt binnen een minuut gevoelloos,’ vervolgde Kennedy. ‘Dan voelt u dus helemaal niets meer, geen enkele pijn, waarna ik de echokop naar binnen schuif, heel precies…’
De haartjes op mijn bovenbenen kwamen overeind. Telkens vlak voor een priemende steek en het geluid van een nijdig nietapparaat fluisterde Kennedy: ‘Ja, hier komt er weer eentje, ontspant u zich, prima, heel goed. Niet bewegen alstublieft. Denkt u maar aan prettige dingen, zoals dat het zo meteen achter de rug is. Want dat is het al bijna.’
Maar met een Kennedy verschijnen er vanzelf beelden van een open limousine. Wuivende handen. Jackie. Het schot. Botsplinters.
‘Nou, da’s alweer voorbij. Blijft u nog even liggen. De assistent komt u dadelijk helpen.’
Intussen ging Kennedy aan een bureau zitten en staarde naar iets op een monitor. Hij leek almaar minder opgewekt, hij ging me vertellen hoe rampzalig het eruitzag en dat het helaas inderdaad 5 was. Maar na een stilte, die minstens zo verdacht was als al die oplichtende vlekjes op het wandscherm, begon hij over straks, de wachtkamer, pas vertrekken na een plas. Niet schrikken als die er wat bloederig uitzag. En mijn sperma ook trouwens, de eerste tijd.
‘Drinkt u zo maar flink wat bekers water. Thee of koffie mag ook. Moet er een taxi worden gebeld of is er iemand die met u rijdt?’ Hij keek nog steeds naar het scherm.
‘Mijn vriend.’ Ik bleef ‘vriend’ zeggen, niet uit lafheid; mijn man, dat klonk te militant, te humorloos strijdbaar. ‘Hij wacht buiten op me. In de auto.’
Waarom vroeg ik niet wat er op het scherm te zien was, wat die frons van hem betekende?
‘Goed zo.’ Kennedy noteerde iets op een vel papier. ‘Uw huisarts ontvangt binnen vijf werkdagen de uitslag en zal die met u bespreken. U hebt al een afspraak met hem staan?’
‘Over een maand. 8 september. Kwart voor vier.’
Kennedy’s blik verzachtte. ‘Dat duurt nog wel een poos, hè?’
‘Hij is met vakantie.’
‘Ja, dat moet ook gebeuren.’ Hij stond op. ‘Bien, Robin gaat u nog even fatsoeneren.’
Vanachter een scherm dook de assistent weer op, nu met handdoek en verband. ‘Hoe gaat het hier?’ vroeg hij toen Kennedy na een ‘het beste’ was verdwenen. ‘Ai, u hebt aardig wat gebloed. Maar da’s heel normaal hoor, het kan nog veel erger allemaal.’
Terwijl hij de wondjes behandelde, keek ik over zijn dichte haardos heen naar de gesloten lamellen. Ergens daarachter, in de brandende zon, was het parkeerplein met tussen al die auto’s een smurfblauwe Volvo met Marc. ‘Je hoeft echt niet mee,’ had ik gezegd, toen hij wilde uitstappen. Dat klonk niet alleen onaardig, dat was het ook dus haalde ik er snel mijn moeder bij, die me op mijn zestiende nog vergezelde naar de tandarts, en dat ik me weer dat hulpeloze joch zou voelen. Hij had geknikt, maar ik was amper op weg naar de ingang toen er een portier zachtjes werd dichtgedaan, gevolgd door sluipende voetstappen, vlak achter me. ‘Nee!’ Ik had me niet omgedraaid, dan zou ik zwichten. ‘Het is écht nee. Ik ben zo terug, het stelt niks voor.’
Waarschijnlijk was hij nu een vakantie aan het regelen. Onderweg had hij het over de Eifel, het zuidelijke deel, met die vulkanen, of we daar niet een weekje naartoe konden, de hele zomer zaten we maar thuis, bewegen moest ik, en meer eten ook.
De geur van een desinfecterend middel prikkelde mijn neus. Intussen doemden heuvels op, velden vol wuivend graan, een Ferienhaus, overwoekerd door klimrozen. Overdag samen wandelen, en dan, voor de schemer, terwijl Marc een te voedzame stoofschotel bereidde, in mijn eentje nog even in een maar, een die diep genoeg was. Halverwege stoppen met crawlen en wachten tot de kou of wat dan ook haar werk deed.
Kon dat, kon ik hem alleen van vakantie laten terugkomen? Nee, ik leek wel gek. Maar ik wás ook gek, of in elk geval bezig dat te worden. Die oxazepam zorgde voor een permanente nevel in mijn denken. Samen met de slapeloze nachten vol geluiden van de fatbikestad, sirenes, laveloze toeristen, schreeuwend, lachend, volop levend of wat daarvoor doorging, en Marc naast me, in diepe slaap, zijn rustige ademhaling, onwetende Marc, want waarom het nu al vertellen en zijn zomer verpesten, misschien hadden ze het mis. En dan meestal rond een uur of vier uit bed, naar beneden sluipen om in de woonkamer met de koptelefoon op naar rampen te kijken, oorlogen, precisiebombardementen, of, zoals vannacht, naar tv-mediums, die wanhopige bellers te woord stonden met behulp van tarotkaarten. Zwendelaars natuurlijk, in scène gezet, maar toch ging er een soort troost uit van dat stel; eentje gelóófde ik bijna, een mens met zwartgeverfd haar en een slordig getekende stip op het voorhoofd, die haar tien-euro-per-minuut-consult telkens beëindigde met: ‘Vertrouwen, heb vertrouwen, lieve schat.’ Vertrouwen? Voor vertrouwen was moed nodig, en daar ontbrak het aan. Een man die tot zijn zestiende zijn moeder meenam naar de tandarts. Als ik verdomme de moed had om vertrouwen te hebben, zou Kennedy met goed nieuws zijn gekomen. Het is toch 4, die paar maanden, nou, telt u daar maar flink wat tijd bij, want –
‘Hé, meneer…’ De assistent, wat was zijn naam, iets met een R. Zijn adem rook nog sterker naar rook, vast pauze gehad. Zachtjes kneep hij in mijn schouder. ‘Schrok u? Dat spul werkt goed, hè, u was lekker aan het wegzweven. Dat zou ik ook wel willen.’
Onder mijn ballen zat een pleister. Bert & Ernie mochten weer aan.
5, een kort verhaal
Deze Maand
Gerard van Emmerik
(mijn ‘Deze Maand‘ in het jongste nummer van Hollands Maandblad)
De drukte, de onverschilligheid. Tegenwoordig ontvlucht ik de stad zoveel mogelijk. Zes uurtjes fietsen, en daar is-ie, aan het einde van een bospad: mijn hut. Die rust daar. Geen mobiel bereik, wel herten die naar binnen staren. En wanneer je je na een paar dagen Remi voelt, al lijk je beduidend meer op Vitalis, is er altijd nog de Spar in het dorp om wat in rond te hangen en terug te grijnzen naar de vakkenvuller…
Tot er vorige week een terreinwagen de stoep opscheurde. Een platinablond wezen stormde naar binnen, luidkeels bellend. Je zou verwachten dat ze snaterde over nagelstudio’s of ‘drankjes doen’, en dat deed ze ook. Steeds vaker keek ze mijn kant op, terwijl ik haar vergezelde naar het vlees, de kaas.
‘Ik ga even stoppen,’ riep ze, ‘er is hier iemand die de hele tijd…’
‘Nee, schreeuw gezellig door,’ zei ik, ‘maar uw patserauto, die staat nogal asociaal geparkeerd.’
‘Ik word asociaal genoemd, hoorde je dat?’ Ze bekeek me wat beter. ‘Nou, een meneer die boos kijkt… Nee, denk het niet. En anders roep ik er wel iemand bij.’ Ze borg haar telefoon op en negeerde me tot de diepvriesvakken, waar ze twee pizza’s in haar karretje legde. ‘Laat me nou met rust,’ zei ze. ‘Please. Alle parkeerplaatsen waren bezet.’
‘En ook nog dat stomme gebel.’
‘Mag dat niet dan? Mag ik niet bellen?’
‘Nee, dat mag niet. Hier niet.’
Zo schoven we parallel verder, zij met haar wagentje, ik met mijn Amsterdamse woede en een mand vol verstandige broccoli – en ribbelchips als troostvoer. Tot ik over een krat in het gangpad struikelde.
‘Gaat het?’ Ze klonk geschrokken. ‘Níét bewegen, ik haal er iemand bij.’
Mijn agressie ebde weg. Agressie die met van alles te maken had. Misschien zelfs met afgunst. Op de onverschilligen. Vanuit kleuterperspectief keek ik opzij. Wasmiddelen, schuursponsjes. Een wereld van producten die minder aandacht verdienden dan hun duurdere variant in de hogere schappen. Een wereld van vloer, van granieten eenzaamheid. En van snelle voetstappen, het meisje van de broodafdeling hurkte bij me neer. ‘Kunt u overeind komen, meneer?’
Ik bleef veel liever nog even liggen, nee, niet even: voorgoed. Met in mijn hoofd Jim Morrison, This is the end… Ik sloot mijn ogen en voelde hoe ik verdween… Niets resteerde, behalve zalige rust.
Totdat er een hond, lichtblauw, zachtjes in mijn schouder beet. Een arm werd. De vakkenvuller. Samen met het broodmeisje hees hij me op een bureaustoel. Ze reden me dieper de winkel in, klapdeuren door – klang – via een magazijn vol dozen en karren naar een helverlicht kantoortje. Daar kreeg ik van de chef een bekertje ijsthee en een warme gevulde koek. Moesten ze iemand bellen? Echt niet?
Na wat wankele stappen ging het al beter en toen ik via de klapdeuren weer in de winkel belandde, hoorde ik mezelf neuriën. Die vloer had iets teweeggebracht. Minder woede. Voorlopig, in elk geval.
Eerste hoofdstuk ‘Jij Blijft’
1
Vandaag kwam er een nostalgische ansicht van Vera, de dichteres uit Tsjechië. Als we op dezelfde avond lesgeven sluipt ze in de pauze mijn lokaal binnen en houdt lange, lyrische verhalen over haar cursisten, ach, zo talentvol, Sam, maar wat moeten ze nog veel leren… Zij praat, ik luister, zo ging het vroeger ook, anderen waren aan het woord, de kippenjongen zweeg vooral, een en al bril destijds, een en al onzekerheid. Maar evengoed een vorm van praten, dat zwijgen van me, ook nu.
Vera. Haar handschrift is kordater dan je zou verwachten. Sam, arme Sam, ik hoorde het akelige nieuws. Je telefoon staat uit, ik heb het regelmatig geprobeerd. Je zit denk ik met je vriend in dat boshuisje van jullie. Enfin, je moet het nu maar doen met dit plaatje. En natuurlijk met mijn vurige wens dat alles goed komt.
Enfin, wie gebruikt dat nog?
En hoe het gaat? Geen idee, ik weet alleen dat er vroeger nooit zulke kaartjes kwamen omdat ik vroeger nooit doodging. En dat vroeger op 30 juni stopte, rond kwart over drie.
De vakantie was net begonnen toen en Luuk en ik hadden zoals elke zomer onze etage in de rolkoffertjesstad ingewisseld voor de rust van het bos. Soms dacht ik: wordt het onze laatste keer hier? Maar laatste in een andere betekenis dan het na die dag in juni zou worden.
Niet dat er veel aanvaringen waren die dagen, alleen lichte irritaties, zoals mijn gesnurk dat hem zelfs met zijn oordopjes van tachtig euro wakker hield. Hij geeuwde alleen als ik vroeg hoe zijn nacht was geweest, misschien omdat hij wist dat ik anders over zijn toonladders zou beginnen. Bovendien, grootmoedig als hij is gunde hij me mijn slaap. En ik zweeg over de lucht die uit het shirt walmde dat hij droeg sinds… hoelang, vier, vijf dagen? Immers, iemand die de geur van kippenmest lekker vindt heeft volgens hem geen recht van spreken.
Nee, hoogstens was ons probleem de voorspelbaarheid. Voorspelbaar bij anderen, de stelletjes die in een restaurant zitten te zwijgen of op hun telefoon turen, totdat het zich ongemerkt ook bij ons had ingegraven, je houdt van elkaar, maar soms wordt de kamer waarin je samen bent kleiner en kleiner, je begint je te storen aan elkaars keelgeschraap, aan een opmerking over het weer, aan de terugkerende vraag: had je nog mail?
Dus om eerlijk te zijn keek ik voor die middag in juni weleens stiekem op Funda naar een bescheiden appartement. Doet niet iedereen die al decennia samen is zulke dingen, fantaseren hoe het zou zijn, weer alleen? Toch voelde het als ontrouw, vooral wanneer ik chatte met Dimitri M. Gustav. Geen datingsite met pop-ups van erectiepillen en escortjongens, dit was erger, Dimitri M. van Gustav & Partners bracht me op de hoogte van beschikbare woonruimte. Een huis om alleen in door te brengen. Niet dat ik ooit echt zou weggaan, waarom zou ik, ik hield minstens zoveel van Luuk als hij van mij. Als iemand me zou hebben gevraagd: waarom zit jij huizen te bekijken alsof je van plan bent te gaan scheiden, dan was mijn antwoord geweest: gewoon nieuwsgierig hoe anderen wonen, of dichter bij de waarheid: om de sleur een hak te zetten.
Dimitri. Nooit hebben we elkaar ontmoet, hij heeft me alleen een keer gebeld toen ik een on-line-formulier had ingevuld en er nog wat onduidelijkheden waren over mijn inkomsten. Op de foto van het makelaarskantoor heeft hij gemillimeterd haar en een betrouwbare glimlach. Zijn chats waren altijd prettig informeel van toon. Ha die Sam, in de bijlage de nieuwste lijst. Passend bij je wensen. Klein maar fijn. Goed geïsoleerd, geen geluidsoverlast. Alles aanwezig, een woon-slaapkamer, open keuken, douche en toilet. Ideaal voor een single. Laat maar horen als er iets bijzit.
En bij het bekijken van die lijst stelde ik me dan voor hoe het zou zijn, een deur met alleen mijn naam. Een woonkamer zonder Luuks Steinway, een ijskast zonder zijn bierblikjes. Kijk, daar zat ik, een man van zestig, alleen, op die patserige bank in de fotoreeks. Hoe zag zo’n nieuw, solitair leven eruit daar? Elke ochtend Luuk bellen? En ook ’s middags? En ’s nachts, na een paar glazen wijn? Werd een man die behoefte had aan autonomie na verloop van tijd toch lid van een eetgroep of een wandelclub?
Vorig jaar werd ik een keer betrapt, toen Luuk opeens de werkkamer binnenkwam en ik niet snel genoeg een mini-etage met uitzicht op de Amstel kon wegdrukken.
‘Wat doe jij nou?’ zei hij. ‘We willen toch geen ander huis?’ Want hij besefte niet dat er in die dubieuze speurtocht van me geen plaats was voor we. Moeiteloos verzon ik iets over schonere lucht, beter dan die smerige Nassaukade, de stoplichten, al dat optrekkende verkeer onder ons raam.
‘Maar waarom?’ Hij schudde zijn hoofd. ‘We hebben Waldfreude.’
En dat was waar. We hadden ons boshuisje. En elkaar.
(De roman Jij Blijft verschijnt in 2024)

